Inkomens en ontwikkeling
Het aandeel mensen in armoede volgens de CBS/SCP-definitie is, na een jarenlange daling, in 2023 en 2024 iets toegenomen.
Ook de Nijmegenaren zelf ervaren volgens de Burgerpeilingen (2023 en 2025) dat de financiële situatie niet meer verder vooruitgaat. Toch zijn de scores nog steeds goed: minder dan 5% noemt hun financiële situatie slecht, veel meer mensen zien vooruitgang dan achteruitgang.
Besteedbaar inkomen in Nijmegen relatief laag door huishoudenssamenstelling
In Nijmegen zijn er, gekeken naar het besteedbaar inkomen, meer huishoudens in de lagere inkomensklassen en minder in de hoge klassen dan landelijk gemiddeld. Dat is in de onderstaande figuur te zien.
In heel Nederland heeft, logischerwijze, 20% van de huishoudens een besteedbaar inkomen waarmee ze tot de armste 20% van Nederland behoort. In Nijmegen valt meer dan een kwart van de huishoudens in deze inkomensklasse.
Aan de bovenkant van de inkomensverdeling zie je dat ongeveer 17% een van Nijmeegse huishoudens een inkomen heeft waarmee ze tot de rijkste 20% van Nederland behoort. In absolute cijfers gaat het dan om zo'n 15.000 huishoudens.

Figuur: Besteedbaar inkomen van huishoudens excl studenten (inkomen na betaling van belasting, premies sociale en ziektekostenverzekering en inkomensoverdracht), naar Nederlandse 20% klasse. Bron: CBS/IIV, peiljaar 2024, voorlopige cijfers.
De ongunstigere inkomenspositie in Nijmegen is deels te verklaren vanuit de samenstelling van huishoudens en bevolking: het besteedbaar inkomen van meerpersoonshuishoudens is 2 tot 3 keer zo hoog als dat van alleenstaanden, ook studenten hebben vaak een laag inkomen. Dit geldt zowel voor Nederland als geheel als voor Nijmegen. En omdat er in Nijmegen meer alleenstaanden wonen dan gemiddeld in Nederland is het gemiddelde huishoudensinkomen er lager.
Maar kijk je per huishoudenscategorie dan zijn de verschillen veel kleiner:

Figuur: Gemiddeld besteedbaar inkomen (*1000 euro) per huishoudenstype. Bron: CBS/IIV, peiljaar 2024, voorlopige cijfers exclusief studenten.
Vooral bij de 2-oudergezinnen is het besteedbaar inkomen in Nijmegen wat lager dan in Nederland. Rekening houdend met de huishoudensverdeling in Nijmegen (standaardisatie) ligt het inkomensniveau hier zo'n 6% onder het landelijke niveau.
Houd je geen rekening met de verschillen in huishoudenssamenstelling dan is het verschil veel groter (ongeveer 15%).
Een nieuwe armoede-definitie
Omdat er meerdere armoededefinitie in gebruik zijn hebben CBS, SCP en Nibud in 2024 in samenwerking één armoededefinitie ontwikkeld die de oude definities moet gaan vervangen. De belangrijkste kenmerken van die nieuwe definitie zijn:
- de armoedegrens is geen beleidsmatige keuze meer, maar wordt bepaald op basis van door het Nibud opgestelde begrotingen voor allerlei huishoudenstypen. Daarbij wordt gekeken hoeveel inkomen deze huishoudens nodig hebben
- er wordt gekeken naar de werkelijke uitgaven van de huishoudens
- als huishoudens vermogen hebben wordt dat ook meegerekend.
In 2024 viel 4% van de Nijmeegse inwoners (uitgezonderd instellingsbewoners) onder de nieuwe armoedegrens, in absolute cijfers gaat het dan om 7.500 mensen. Net als in de andere/oudere definities is het aandeel in armoede in Nijmegen (en bijna alle andere steden) een stuk hoger dan gemiddeld in Nederland.
Figuur: Aandeel Nijmegenaren onder de nieuwe armoedegrens, 2024, bron: CBS/SCP/Nibud
Einde aan daling van aandeel en aantal personen in armoede
Tussen 2018 en 2023 is het aandeel personen in armoede gestaag gedaald, in Nederland, de kennissteden en Nijmegen.
De daling in 2022 en 2023 was extra groot. Dit was het effect van de inkomensmaatregelen die landelijk en lokaal genomen werden om de gevolgen van de energiecrisis en inflatie te verzachten, zoals de verhoging van het minimumloon en de uitkeringen en de energietoeslag.
In 2024 is het aandeel mensen (minstens 1 jaar) in armoede voor het eerst sinds jaren gestegen. Bij mensen langdurig (minimaal 4 jaar) in armoede is dit effect nog niet zichtbaar: net als het vorig jaar leeft ongeveer 1% van de Nijmegenaren langdurig in armoede.
.

Figuur: Percentage personen (langdurig) in armoede, bron: CBS.
Verschillende inkomensgrenzen
Omdat de nieuwe armoededefinitie alleen nog maar voor personen, en niet op huishoudensniveau, berekend is en omdat in het beleid verschillende inkomensgrenzen van huishoudens gebruikt worden, kijken we ook nog steeds naar de oudere inkomensdefinities. De belangrijkste inkomensgroepen daarbij zijn:
- huishouden met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum.
Als het sociaal minimum gelden de actuele bijstands- en AOW-uitkeringen. De grens 110% van het sociaal minimum werd altijd veel gebruikt in het (Nijmeegse) armoedebeleid. - huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum.
In het Nijmeegse armoedebeleid wordt ook de grens 130% van het sociaal minimum gebruikt. Bij steeds meer regelingen geldt deze grens als toelatingscriterium. - huishoudens met een inkomen tot 140% van het sociaal minimum.
En recent is voor sommige regelingen de grens tot 140% verhoogd, of wordt voorgesteld deze grens te gaan hanteren.
In de onderstaande tabel worden de groepen huishoudens volgens deze drie definities vergeleken. Ter vergelijking is ook het cijfers van het aantal Nijmegenaren in armoede volgens de nieuwe definitie opgenomen. De nieuwe definitie "in armoede" is een stuk strenger dan de definities die uitgaan van het sociaal minimum.

Figuur: Particuliere huishoudens in Nijmegen naar inkomen, 2024, voorlopige cijfers. Bron: IIV CBS, voorlopige cijfers.
Afhankelijk van de gekozen grens heeft 13% tot 22% van de Nijmeegse particuliere huishoudens een laag inkomen. Bij het verruimen van de grenzen komen er relatief wat meer ouderen en wat meer huishoudens met inkomen uit werk of pensioen/AOW bij de groep arme huishoudens.
Alleenstaanden, 1-oudergezinnen en huishoudens met een migratieachtergrond hebben relatief vaak een laag inkomen
Binnen het Nijmeegse armoedebeleid is de grens "130% van het sociaal minimum" belangrijk, waarbij het sociaal minimum min of meer gelijk staat aan een bijstandsuitkering. In 2024 viel 19% van de Nijmeegse huishoudens, in absolute cijfers 16.500 huishoudens, in deze categorie.

Figuur: Aantal huishoudens (exclusief studenten) en personen met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum, peiljaar 2024, voorlopige cijfers. Bron: CBS/IIV.
Onder 1-oudergezinnen en alleenstaanden is het aandeel met zo'n inkomen het grootst: rond 30% van deze huishoudens zit onder de 130% grens. In absolute cijfers zijn het vooral alleenstaanden die de samenstelling van deze inkomensgroep bepalen: ruim 12.000 huishoudens.
Naar leeftijd bekeken valt op dat het aandeel lage inkomens bij jongeren het hoogst is. Omdat er echter maar weinig niet-studentenhuishoudens onder 25 jaar zijn, is het absolute aantal niet zo hoog (1.000). In de leeftijdsklasse 25-45 is het aandeel met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum het laagst.
Het allerhoogst is het aandeel huishoudens met een inkomen tot 130% bij de huishoudens die in het buitenland zijn geboren: 35% van zulke huishoudens hebben een inkomen onder deze grens.
Van wijk tot wijk zijn er in Nijmegen flinke inkomensverschillen. In veel wijken in Oost en Noord ligt het aandeel lage inkomens ruim onder het gemiddelde. Daartegenover staan wijken waar rond of boven 30% van de huishoudens zo'n laag inkomen heeft: sommige wijken in Dukenburg, Hatert en Nije Veld.

Figuur: Aandeel huishoudens (excl. studenten) met inkomen tot 130% sociaal minimum. Bron: CBS/IIV, peiljaar 2024, voorlopige cijfers.
Werkende armen in Nijmegen
Bij de 16.500 huishoudens in Nijmegen die een inkomen onder de 130% van het sociaal minimum hebben gaat het vooral om huishoudens die leven van een uitkering, met name bijstands- en AOW-uitkeringen. Maar in 20% van de gevallen, zo'n 3.300 huishoudens, is werk de voornaamste inkomensbron.

Figuur: Belangrijkste inkomensbron van Nijmeegse huishoudens met een inkomen tot 130% van het Sociaal Minimum. Bron CBS/IIV, peiljaar 2024.
Ongeveer een kwart van die werkende armen is ZZP-er. De rest werkt in loondienst.
In Nijmegen zijn er veel meer huishoudens met een inkomen uit loondienst (meer dan 46.000) dan huishoudens met een hoofdinkomen uit ZZP-schap (ongeveer 7.000). Binnen de eigen groep gezien is het aandeel ZZP-ers met een inkomen tot 130% van het Sociaal minimum 13%. Duidelijk hoger dan bij huishoudens waar inkomen uit loondienst de belangrijkste inkomensbron is: 5%.
Maar bij gepensioneerden en vooral mensen met een uitkering zijn de aandelen huishoudens tot 130% van het sociaal minimum nog veel hoger.

Figuur: Inkomenshoogte Nijmeegse huishoudens naar inkomensbron. Bron: CBS/IIV peiljaar 2024.
Na lange periode van vooruitgang in financiele situatie ervaren Nijmeegse huishoudens de laatste jaren weinig verandering
In de Burgerpeiling 2025 hebben de inwoners van Nijmegen aangegeven hoe zij hun inkomen ervaren: vinden ze het hoog of laag, is hun financiële situatie goed of slecht?

Figuur: Waardering financiële situatie door Nijmeegse huishoudens, naar zelf getypeerde inkomensklasse. Bron: Burgerpeiling 2025.
In totaal vindt 4% van de 78.000 Nijmeegse zelfstandige huishoudens dat hun financiële situatie slecht is. Dat gebeurt natuurlijk vooral bij huishoudens die een laag inkomen hebben. Zo'n 14.000 van de huishoudens vinden zichzelf tot de lagere inkomensgroepen behoren. Voor 20% van hen geldt dat zij hun financiële situatie als "slecht" typeren. De rest, zo'n 11.000 huishoudens, kan zich ondanks het lage inkomen redelijk tot goed redden. Onder huishoudens met een gemiddeld inkomen is er nog een heel kleine groep die zegt in een slechte financiële situatie te verkeren.
Jarenlang zijn de Nijmeegse huishoudens steeds positiever over hun financiële situatie gaan oordelen. In 2013, nog volop in de "Grote Recessie", vond bijna 40% van de huishoudens dat hun financiële situatie er de twee voorgaande jaren op achteruitgegaan was. Dat aandeel is flink gezakt: via een kwart in 2015, 20% in 2017, 17% in 2019 naar 15% in 2021. Bovendien is in die periode de groep die zegt erop vooruit te zijn gegaan steeds groter geworden. In 2021 is de groep die vindt vooruitgegaan te zijn tweemaal zo groot als de groep die achteruit is gegaan, omgekeerd aan de situatie in 2013.
Ook het aandeel huishoudens, dat vindt dat hun financiële situatie slecht is, is sinds 2013 continu gedaald.
In de Burgerpeilingen van 2023 en 2025 is een eind gekomen aan die positieve tendens. Geen daling meer van het aandeel mensen dat vindt dat hun inkomenssituatie is achteruitgegaan of slecht is, geen stijging van het aandeel mensen dat vooruitgang ervaart.
De scores stabiliseren zich rond het niveau van 2021, dat overigens wel het gunstigste is van de afgelopen 10-15 jaar.

Figuur: Beoordeling financiële situatie. Bron: Burgerpeiling 2013-2025.
